Artikel
Iets wat zo veel kost, is alles waard
Proefschrift van Renée Steenbergen over verzamelaars van moderne kunst in Nederland.
Proefschrift van Renée Steenbergen over verzamelaars van moderne kunst in Nederland.
boekbespreking
Niet alleen musea hangen vol moderne kunst, ook heel wat privévertrekken herbergen prachtige en minder interessante verzamelingen. Met haar lijvige boek bewijst Renée Steenbergen dat de veel gehoorde stelling 'Er zijn in Nederland geen belangrijke verzamelaars, wij hebben geen "verzamelklimaat"', nergens op stoelt. Dit idee zou mogelijk kunnen zijn ontstaan doordat de relatie tussen musea (de deskundigen) en verzamelaars van moderne kunst (de amateurs) op z'n minst merkwaardig te noemen is. Je zou verwachten dat de laatsten trouwe bezoekers zijn van musea, maar dat blijkt vooral het geval wanneer ze er zelf met een beginnen.
In tegenstelling tot een museumdirectie kan de verzamelaar zelf beslissen welke stukken er van de eigen verlanglijst worden aangeschaft. Van een museumdirectie wordt een voor ieder begrijpbare verantwoording verwacht, een verzamelaar hoeft de aanschaf alleen aan zichzelf te verantwoorden. Het missen van die vrijheid en het gevoel dat daarbij hoort is misschien wel de reden waarom de "deskundigen" weleens neerkijken op de "amateurs". Het feit evenwel dat musea regelmatig stukken in bruikleen vragen zien de verzamelaars weer als een erkenning van hun collectie.
Het blijkt ook dat meer dan 50% van de verzamelaars hun collectie later graag zien overgaan naar een museum. Vreemd genoeg blijken musea minder interesse te hebben in jonge kunst (omdat daar al zoveel subsidie voor is). Renée Steenbergen gaat redelijk uitgebreid in op de kwestie van het schenken en legateren. Ze schrijft daar ook iets heel zinnigs over: "Een particuliere verzameling of stukken daaruit moeten niet alleen aansluiten bij de museale collectie, maar er ook een wezenlijke aanvulling op vormen". Dit komt volledig overeen met de conclusies uit het nationaal museumonderzoek (Stichting Kijken 1995) dat musea veel meer schenkingen zouden moeten weigeren omdat die aangeboden collecties totaal niet passen bij het museum. Een alternatief voor het schenken is om zelf een museum te beginnen. Dat het beginnen van een museum door verzamelaars van moderne kunst geen sinecure is, wordt in het boek goed uit de doeken gedaan, er blijven echter nog veel vragen over. Zo blijkt het nog steeds niet duidelijk waarom Christiaan Braun na drie jaar zijn Museum Overholland (in Amsterdam) sloot.
Alhoewel Renée Steenbergen het onderwerp uitstekend behandelt ontbreken er bepaalde overzichten. Het zou heel interessant zijn om te weten welke musea er vanuit verzamelingen zijn gestart, en dan niet alleen verzamelingen van moderne kunst, en welke musea niet. De aanvullende vraag is dan of er kwalitatief verschil zit in die musea. Het zou best kunnen zijn dat een goede basisverzameling leidt tot een consistent aankoopbeleid. Het ontbreken van dit overzicht is geen kritiek op het boek, integendeel. Het boek gaat over verzamelaars en niet over musea. Door het lezen van het boek ga je dan waarschijnlijk ook heel anders tegen verzamelaars aankijken. Je vraagt je misschien af of de kwaliteitsverschillen tussen de verschillende collecties groter dan wel kleiner is dan de kwaliteitsverschillen tussen soortgelijke musea. Dit geldt ook voor het feit dat een verzamelaar weliswaar geen verantwoording aan anderen hoeft af te leggen voor zijn of haar aanschaf, maar de aanschaf wordt wel vanuit eigen middelen betaald. Het personeel van een museum gaat er na aanschaf van een eigenlijk te duur stuk, qua besteedbaar inkomen niet op achteruit. Voor een verzamelaar kan het echter betekenen dat er dat jaar dan maar geen vakantie wordt gehouden. Natuurlijk, rentenierende miljonairs hebben daar geen last van, maar zo'n 11% van de geïnterviewde verzamelaars zijn begonnen voor hun twintigste. Meer dan de helft was nog geen dertig bij hun eerste aankoop terwijl ruim 30% geen bijzonder hoog inkomen heeft. Een verzamelaar wordt er niet voor betaald maar loopt wel zelf de risico's, op de een of andere manier moet dat tot uitdrukking komen in de collectie. De in jaren opgebouwde collectie van een museum geeft meestal een beeld van hoe er in de verschillende periodes gemiddeld aangekeken werd tegen moderne kunst. Een in diezelfde periode opgebouwde privéverzameling kan een heel ander beeld geven, het is meer een autobiografie van de wat vreemde verzamelaar. Want dat verzamelen een bijzondere afwijking is wordt in het boek wel duidelijk gemaakt, het duurt vaak een tijd voordat men ervoor durft uit te komen en dan nog. Dat men zoveel geld wil neerleggen voor iets waarvoor de rest van de familie of vriendenkring weinig waardering heeft, blijft voor dezen een raadsel.
Tot zover deze beperkte bespreking. In het boek gaat de schrijfster uitgebreid in op wat voor mensen verzamelaars zijn, hoe ze hun collectie opbouwen en nog veel meer: 463 pagina's lang met 47 pagina's prachtige foto's, na de foto's volgen er 110 pagina's met voetnoten. Een goede keuze van de uitgever omdat, wanneer de voetnoten onderaan de pagina staan, je toch de neiging hebt om ze steeds te gaan lezen. Dat is nu niet het geval waardoor het boek bijzonder prettig leest. En voor wie in de voetnoten nog steeds geen voldoende verantwoording vindt, is er ook nog een meer dan 70 pagina's lange lijst 'geraadpleegde literatuur'. Het is kortom een heel gedegen prettig lezend studieboek.
van: www.museumserver.nl, museumkrant editie52, Roby Bellemans
Renée Steenbergen, 'Iets wat zo veel kost, is alles waard - Verzamelaars van moderne kunst in Nederland', Amsterdam, 2002, uitgeverij Vassallucci, isbn 9050003966
