Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Artikel

CRY SURINAM

In 1992 maakte de Curaçaose kunstenaar Felix de Rooy het assemblagekunstwerk ‘Cry Surinam’. Het bestaat uit een crèmekleurig (gloeiend) oliekacheltje met daar bovenop een boek over Suriname, met daar weer bovenop een groot bot en de kop van een zwarte Surinamer met wijd opengesperde mond. Hij schreeuwt het uit. Een parodie op de Surinamer die de warmte van zijn eigen land verlaat om terecht te komen in de kilte van Nederland. Een werk dat, onbedoeld, symbool kan staan voor de kunst in Suriname.

Hoe komt het dat de eigentijdse kunst in de voormalige Nederlandse kolonie zo’n bescheiden rol speelt? Waarom ontbreken Surinaamse kunstenaars in internationale tentoonstellingen (een paar enkelingen daargelaten)? Waarom is er haast niets over te lezen? Waarom zijn ze zelfs nauwelijks opgenomen in de collecties van de belangrijke Nederlandse musea?
Is er eigenlijk wel sprake van Surinaamse kunst of wil de kunst daar niet Surinaams worden? Waarom blijft de cultuur van de kolonisator de dominante cultuur?
Het is niet eenvoudig eenduidige antwoorden te geven op deze en andere vragen, omdat zowel Suriname als Nederland debet zijn aan deze situatie en de wederzijdse gevoeligheden erg groot zijn.
Eigenheid en zelfvertrouwen zijn het resultaat van een lange weg. Pas na de Tweede Wereldoorlog is er in Suriname sprake van enige infrastructuur voor kunst. Culturele instituten, opleidingen en organisaties worden lang door Nederland geïnitieerd en gedomineerd. Pas in 1966 komt er een eigen Surinaamse Academie voor Beeldende Kunst. Dat lijkt een hoopvol begin, ware het niet dat die academie naar Europees voorbeeld wordt opgezet en ingericht. Interne conflicten zorgen bovendien al snel voor (kortstondige) afsplitsingen en maken het onmogelijk een gedegen opleidingstraditie in gang te zetten. Pas aan het begin van de jaren tachtig ontstaat er enige stabiliteit. Dat impliceert dat de huidige twee academies een geschiedenis van amper vijfentwintig jaar hebben. Kort. Te kort.
Je zou verwachten dat Suriname na de onafhankelijkheid van 1975 een eigen weg wil gaan. Dat het opgelucht en trots zal gaan werken aan een eigen culturele identiteit. Dat is maar zeer ten dele het geval. Tienduizenden Surinamers verhuizen in dat jaar naar Nederland omdat ze daar meer mogelijkheden zien (en ook daadwerkelijk hebben). Niet Paramaribo is hun ideaal, maar een huis met tuin in Almère. (1) Het algemene onderwijs blijft goeddeels op Nederlandse leest geschoeid. Nederlands is nog steeds de officiële voertaal. Nederlands geld maakt nog altijd een belangrijk onderdeel uit van de Surinaamse economie. Veel Surinaamse kunstenaars laten zich onveranderlijk in Nederland opleiden. Een deel blijft, een deel gaat terug naar zijn vaderland, maar doet dat met een Westerse, blanke, culturele bagage.
Merkwaardig genoeg hebben veel inwoners van Suriname dus zelf moeite zich los te maken van hun voormalige kolonisator. Is dat gemakzucht? Zijn dat de mentale gevolgen van jarenlange onderdrukking? Zijn het louter economische motieven? Omdat het land zich niet capabel weet of acht om al die natuurlijke rijkdommen zelf te ontwikkelen? Zijn het onzekerheid en frustratie over de labiele politieke situatie (Brunswijk, Bouterse)? Het blijft gissen. Waarschijnlijk is het een amalgaam van oorzaken.
Niet alleen Suriname heeft moeite zich los te maken, ook Nederland heeft de neiging het land als zijn twaalfde provincie te blijven zien en behandelen. Het blijft geld geven voor ontwikkelingsprojecten, maar het blijft zich tevens bemoeien met de besteding ervan. Het blijft zich uitspreken over (lees: bemoeien met) de politieke ontwikkelingen daar, zonder zich te willen verdiepen in de cultuur van het land waaruit die ontwikkelingen wellicht eenvoudig te verklaren zijn.
De laatste jaren komt daar een subtiele vorm van cultuurpostkolonialisme bij.
In het kader van het kunstdiscours over globalisering en het daarmee samenhangende zich open stellen voor ‘de ander’ worden er vanuit Nederland en met geld van de Nederlandse overheid allerlei culturele uitwisselingsprogramma’s opgezet tussen Nederland en Suriname. Vertegenwoordigers van het Sandberg Instituut, de Rietveld Academie, de Rijksacademie, de Rotterdamse Kunststichting en andere kunstorganisaties lopen de deur plat in Paramaribo. Om zich te oriënteren en informeren, om workshops te geven, om tentoonstellingen te maken, soms met Nederlandse kunstenaars in hun kielzog. De Surinaamse kunstgemeenschap heeft echter haar reserves over het rendement van dit soort activiteiten voor de Surinaamse kunst en de Surinaamse kunstenaars. Komen zij op deze manier in een groter netwerk? Kunnen zij op deze manier makkelijker aanhaken op internationale ontwikkelingen of blijft het bij de toelating van een enkele student op het Sandberg, de Rietveld en de Rijks en een ervaring rijker? Het antwoord hangt af van de persoon aan wie je het vraagt. Een eensluidend positief antwoord blijft in ieder geval uit.

In 2006 ontwikkelden de Surinaamse kunstenaars Remy Jungerman en Gillion Grantsaan het Wakaman Project. Het is bedoeld als een onderzoek naar de positie van kunstenaars van Surinaamse origine. Het wil een aanvulling zijn op de schaarse documentatie over hedendaagse Surinaamse kunst. Vier maanden lang gaan drie Surinaamse kunstenaars buiten Suriname (Iris Kensmil, Patricia Kaersenhout, Charl Landvreugd) en drie Surinaamse kunstenaars in Suriname (Marcel Pinas, Kurt Nahar, Ori Plet) in dialoog met elkaar. Ideeën worden uitgewisseld, beelden worden verstuurd, gesprekken worden gevoerd. Uiteindelijk moet dat leiden tot drie gezamenlijke kunstprojecten die vanaf eind februari 2009 in Fort Zeelandia in Paramaribo worden getoond en een boek over dat project, over de hedendaagse Surinaamse kunst en over de context van die kunst. Het boek wordt internationaal gedistribueerd.
‘Wakaman’ kan een middel zijn om de bovengenoemde impasse te doorbreken, omdat de deelnemende kunstenaars in alle vrijheid en op grond van gelijkwaardigheid aan het project hebben gewerkt. Het boek is vanuit Surinaams perspectief geconcipieerd en ingevuld. De tentoonstelling is een Surinaamse aangelegenheid.
Mag ‘Wakaman’ dan een bescheiden doorbraak zijn, het zou in mijn ogen goed zijn als de Surinaamse kunstenaar zich in de toekomst meer oriënteert op het Caribische gebied en op Latijns Amerika. (2) Daarmee is de verwantschap groter, daar liggen grotere artistieke mogelijkheden, daar is de toegang tot een internationaal netwerk van tentoonstellingen, biënnales etc. breder. Bovendien ontbreekt een gemeenschappelijk verleden met allerlei emotioneel geladen haken en ogen.
Nederland en Suriname moeten elkaar loslaten.
Het kunstwerk ‘Cry Surinam’ zou zo snel mogelijk gedateerd moeten raken.

Rob Perrée
Platform for Caribbean Art www.Smallaxe.net


1. Almère is een nieuwe stad in de polder die bedoeld was om Amsterdam te ontlasten;
2. Kunstenaars als Marcel Pinas bijvoorbeeld zijn zich via hun opleiding in Jamaica bewust geworden van het belang van hun eigen, Surinaamse roots.