Artikel
Krachtdragers
kunst met een missie van Marcel Pinas
kunst met een missie van Marcel Pinas
De Surinaamse kunstenaar Marcel Pinas (1971) pakt uit in twee musea. Hij laadt gebruiksvoorwerpen als tassen, flessen, wekkers, olielampen en waterzakken op met een nieuwe betekenis. Zo creëert een eigen taal, waarin hij het lot van de Marrons bezingt.
Zijn fysieke en kleurrijke installaties vielen op tijdens de Open Atelierdagen van de prestigieuze Rijksakademie en bleven op mijn netvlies hangen. Een ijzeren ton was omgekeerd opgehangen en binnenin bungelden grote hoeveelheden lepels, waardoor de ton galmde als een klok zodra hij in beweging werd gebracht. Tussen bergen keramische schedels stonden glanzende zilveren wekkers, die van tijd tot tijd luidruchtig rinkelden. Was dit een modern memento mori? De precieze betekenis ontging mij. Net als de Surinaamse context, want de nomadische kunstenaars op de Rijksakademie komen uit alle werelddelen. Pinas vermengt westerse conceptuele kunst met elementen uit zijn eigen traditie, dat je pas ten volle kunt begrijpen als je ook weet hebt van zijn culturele achtergrond.
Marcel Pinas behoort tot de Marrons, de nakomelingen van de gevluchte Afrikaanse slaven in Suriname. Ze leidden een geïsoleerd bestaan in het oerwoud, waardoor de Afrikaanse tradities werden bewaard en zich vermengden zich tot een nieuwe culturele cocktail. Want de slaven kwamen uit verschillende Afrikaanse landen. Zoals veel Afrikanen in de diaspora ging ook Pinas op zoek naar zijn identiteit. ‘'Waar liggen mijn wortels? vroeg hij zich af en hij vond het antwoord, geholpen door de modernste DNA-technieken. En toen hij vervolgens naar Kameroen afreisde, voelde hij zich onmiddellijk thuis.
Die ervaring leidde tot het werk Reconnection (2008), bestaande uit aantal plastic tassen, waarmee je spullen kunt dragen als je je verplaatst. De tassen zijn een metafoor voor migratie. Ze bevatten beeldschermen met filmbeelden uit Afrika, waarmee de Surinamer Pinas letterlijk verwijst naar zijn roots. Want hij herkende de wiegende tred van de Afrikaanse vrouwen die hun vrachtje op hun hoofd dragen (niks geen tas nodig!). Zoals hij ook de lage, met houtsnijwerk versierde deuropeningen herkende uit zijn geboortedorp in Marowijne. De echte boodschap die deze tassen dragen is die van de verbondenheid met de cultuur van je voorouders.
In Stedelijk Museum Schiedam bevindt zich ook de indrukwekkende installatie Kibi Wi Koni. Duizend flessen zijn zorgvuldig in kleurige doeken gewikkeld, alsof de inhoud moet worden beschermd. Op de muur erachter hangen ‘kettingen’ van zwarte figuurtjes, als metafoor voor het slavenverleden, dat als een donkere schaduw boven de bonte menigte hangt. De flessen zijn in geruite doeken gewikkeld, net als de medicijnflessen van de Surinaamse Marrons. Meestal zie je maar één fles. Met duizend flessen wordt de geneeskracht duizend keer vermenigvuldigd. Zou dat genoeg zijn om de Marrons weer op de been te helpen?
In de tentoonstelling in Schiedam ligt het accent op de band met Afrika. In Het Gemak in Den Haag houdt Pinas de problemen van de Marrons tegen het licht, schrijnende problemen waarvan weinig mensen van op de hoogte zijn. Suriname is een smeltkroes van culturen. De bevolking telt 476.000 zielen, waaronder 72.000 Marrons. Nog eens 333.500 Surinamers wonen in Nederland. De Marrons vormen een minderheid en hun cultuur wordt door economische uitbuiting en de Binnenlandse Oorlog bedreigd.
Opeens zie je de installatie met doodshoofden in een ander perspectief. Aan de voet van een reeks opengewerkte houten schermen (een verwijzing naar het traditionele houtsnijwerk) liggen bergen keramische schedels en glanzende zilveren wekkers die groepsgewijs hun bellen laten rinkelen. Een memento mori, inderdaad, maar vooral een oorverdovend alarmsignaal voor een cultuur die haar bestaansgrond dreigt te verliezen. Kibri a Kulturu heeft de tentoonstelling dan ook, Behoud onze cultuur. En dat is Pinas uit het hart gegrepen.
De documentaires in Het Gemak lichten een tipje van de sluier op. De ene film gaat over de goudwinning. De kwik die wordt gebuikt om het stofgoud te scheiden van het gesteente, wordt gewoon in de rivier wordt geloosd. Het water dat de Marrons drinken, raakt steeds meer vergiftigd. Een nachtmerrie die Pinas heeft verbeeld met een zwarte wolk van waterzakken. De waterzakken zijn van binnenbanden gemaakt, een visuele statement over duurzaamheid. En ze zijn niet met water, maar met knekels gevuld.
De andere documentaire handelt over de Binnenlandse Oorlog (1986-1992) tussen legerleider Bouterse en het junglecommando van Ronnie Brunswijk, die het land verscheurde. Na de Decembermoorden in 1982 was een groot deel van de Surinaamse elite naar Nederland gevlucht. Ze zouden Brunswijk tegen Bouterse hebben opgezet om hem uit het zadel te lichten en speelden daarbij handig in op de onvrede onder de gemarginaliseerde Marrons, die zich aansloten bij hun stamgenoot Brunswijk. Uiteindelijk hebben de Marrons sterk te lijden gehad onder deze burgeroorlog, die werd uitgevochten op hun grondgebied. Dorpen werd verwoest en bewoners vermoord, waaronder tien familieleden van Pinas.
Bij het uitbreken van de oorlog was Marcel Pinas vijftien jaar. Hij werd gespaard omdat in Paramaribo verbleef, waar hij naar school ging, maar deze gebeurtenis heeft hem diep heeft geraakt en is de motor is achter zijn kunstenaarschap. Toen hij zijn opleiding tot kunstenaar had voltooid aan het Nola Hatterman Instituut en het Edna Manley College in Jamaica, ging hij terug naar Marowijne. In 2004 richtte hij een monument op voor de slachtoffers van het dorpje Moiwana, want er was niets dat aan het drama herinnerde. Er was geen plek waar de nabestaanden hun doden konden eren en hun rouw konden verwerken. Er was ook geen budget. Pinas gebruikte eenvoudige materialen, oliedrums die hij beschilderde en versierde met het Afaka-schrift van de Nduyka-Marrons. Hij richtte 38 ‘totempalen’ op voor de 38 doden. Hoge voor de volwassenen en lage voor de kinderen, een monument dat de nabestaanden letterlijk in beweging bracht. Ze verenigden zich en togen naar het Inter-Amerkaanse Hof van de Rechten van de Mens en met succes. De Surinaamse regering moest smartengeld betalen en het dorp herbouwen. En Marcel Pinas kreeg opdracht voor een officieel monument, Fu Memre Moiwana dat in augustus 2008, onder hartverscheurend gehuil van de overlevenden, door de president Venetiaan werd onthuld...
Als kind viel Pinas op omdat hij zo mooi kon tekenen, een talent dat hij ontwikkelde bij de jongerenafdeling van Potlood en Penseel van het Nola Hattermaninstituut. Nog steeds schildert Pinas graag, in een spontane directe stijl die aan Cobra doet denken, waarbij hij echter ook elementen toevoegt van zijn eigen cultuur. Het is glocal kunst in een wereld op drift. Zo schildert hij op Pangi-stof, de geruite lendendoeken van de slaven, gebruikt hij de slingerende motieven uit de Tembé-houtsnijkunst en de pictogrammen van het Afaka-schrift. Afaka was een Nduyka-Marron, die in 1908 droomde dat hij een schrift moest ontwikkelen zodat de ongeletterde Marrons konden leren lezen. Het Afaka-schrift werd omarmd door de missionarissen die het schrift inzetten om de Marrons te bekeren, waardoor het in diskrediet raakte. Nu zijn er nog maar enkele Marrons die het beheersen, tot Pinas dit cultuurelement onder het stof vandaan haalde en verspreidde via zijn kunst. In Het Gemak staat nu een installatie in de vorm van een klaslokaal. Het schoolbord is volgeschreven met Afaka-schrift en daarmee houdt Pinas zijn publiek letterlijk bij de les. Waaronder de Marrons die hij bewust wil maken van hun eigen erfgoed en een gevoel van eigenwaarde wil geven. Pinas ontwierp ook een monument in de vorm van een korjaal voor de Dag van de Marrons, die nu ieder jaar gevierd wordt. En zijn nieuwste project is een internationaal kunstcentrum dat Marowijne op de kaart moet zetten en de Marrons een broodwinning moet verschaffen.
Pinas is een kunstenaar met een missie. Het schoolbord roept herinneringen op de activistische kunstenaar en leermeester Joseph Beuys, medeoprichter van Die Grünen, die materialen als vet, vilt en honing inzette als metaforen voor maatschappelijke verandering. Een zendingsdrang die teruggaat tot de Agit-Prop (Agitatie-Propaganda) uit het begin van de vorige eeuw, waarbij de Russische kunstenaars hun kunst inzetten om de ideeën van de revolutie onder het volk te verbreiden. Van meer recente datum zijn de installaties van Romuald Hazoumé uit Benin, die net als Pinas gebruiksvoorwerpen transformeert, zoals de lege jerrycans die hij verandert in doodshoofden, als aanklacht tegen de exploitatie van de internationale oliemaatschappijen.
Je kunt Pinas betichten van pamflettisme. Je kunt je afvragen of zijn boodschap overkomt, maar zelfs als dat niet zo is spreekt zijn fysieke en kleurrijke kunst tot de verbeelding. Zeker is dat het monument in Moiwana de katalysator was van een bewustwordingsproces bij de Marrons. Dat gaf hen de kracht om hun rechten op te eisen. Pinas maakt met emoties opgeladen objecten, ‘krachtdragers’ in de letterlijk zin van het woord, in het voetspoor van de Afrikaanse traditie. En daarmee steekt hij de Marroncultuur een gezicht..
Anne Berk
mei 2009
t/m 23 aug. KIBII WI (Bescherm Ons), Stedelijk Museum Schiedam, Hoogstraat 112, Schiedam, 010-2463662, www.stedelijkmuseumschiedam.nl
t/m 21 juni, KIBRI A KULTURU (Bescherm onze cultuur), Het Gemak, Paviljoensgracht 20-24, Den Haag, 070-3381200, www.hetgemak.org
